Uitgeprobeerd (1) – november 2023

Dit is een bijdrage in de rubriek Uitgeprobeerd en is gereviewd door de hoofdredactie

Tussen vrijheid en verantwoordelijkheid

hoe het curriculum burgerschap vorm krijgt in het Stedelijk Onderwijs Antwerpen

Stedelijk Onderwijs Antwerpen (AGSO) is een scholengroep die meer dan 50.000 leerlingen in 150 scholen telt, het is daarmee één van de onderwijsverstrekkers in Vlaanderen. Het gaat om scholen van primair en secundair onderwijs, volwassenonderwijs en deeltijds kunstonderwijs. Voor AGSO behoort burgerschap tot de kern van het pedagogische project van al de scholen. De verschillende scholen van AGSO zijn vrij om een eigen invalshoek te kiezen van waaruit zij aan burgerschap willen werken. Burgerschap is een curriculair doel dat in Vlaanderen door de overheid via eindtermen wordt opgelegd aan scholen. Toch laat de overheid scholen ook veel vrijheid om dit curriculum zelf vorm te geven. In dit artikel beschrijven we hoe twee ervaringsdeskundigen in AGSO het curriculum burgerschap in hun praktijk verder ontwikkelen. Ann Van Dyck is programmacoördinator voor actief burgerschap. Katrijn Michielsen is leraar algemene vakken (PAV) in de bovenbouw van een secundaire school op het Kiel, een superdiverse wijk in Antwerpen. Aan het einde van dit artikel trekken we voorzichtig lessen uit hun ervaringen met curriculumontwikkeling.

Wouter Smets (Erasmus Universiteit Rotterdam)
Katrijn Michielsen (AGSO)
Ann Van Dyck (AGSO)


Inleiding
Ann van Dyck en Katrijn Michielsen werken beide voor stedelijk onderwijs Antwerpen (AGSO). Op hun eigen manier zijn ze beide bezig met het curriculum burgerschap. Dit artikel ontstond naar aanleiding van gesprekken tussen beide in het kader van een Europees samenwerkingsverband, waarbij Wouter Smets als onderzoeker betrokken was. De praktijkervaringen van Ann en Katrijn tonen twee onderwijsprofessionals die op hun eigen manier het officiële curriculum burgerschap verder ontwikkelen en vormgeven. Ann doet dat op het meso-niveau van de organisatie, als ondersteuner van de lerarenteams in scholen van AGSO. Katrijn doet dat op het micro-niveau in haar eigen klas.
Scholen krijgen in Vlaanderen erg veel vrijheid om te kiezen welke plaats burgerschap in het curriculum krijgt. Op Vlaams niveau wordt een officieel curriculum opgelegd aan scholen door middel van eindtermen burgerschap (Vlaamse overheid, 2018), de nieuwe eindtermen worden sinds 2018 progressief ingevoerd in het secundair onderwijs. De mate waarin het officiële curriculum concreet en sturend moet of mag zijn is een heikel onderwerp in Vlaanderen (Simons et al., 2016). Sommige betrokkenen beschouwen concrete eindtermen als noodzakelijk om heldere en evalueerbare verwachtingen te kunnen hanteren. Anderen beschouwen te concrete eindtermen als een inbreuk op de vrijheid van onderwijs (zie bv. Katholiek onderwijs Vlaanderen, 2022). Ze vinden met andere woorden dat scholengroepen, scholen en leraren zelf de vrijheid en verantwoordelijkheid moeten krijgen om het curriculum naar eigen inzicht vorm te geven. Tabel 1 toont de eindtermen burgerschap voor de 3e graad van het secundair onderwijs die vanaf schooljaar 2023-2024 in voege zullen treden.

Tabel 1 Eindtermen burgerschap voor het secundair onderwijs in Vlaanderen vanaf schooljaar 2023-24  (Ahovoks, 2023) 

7.1

De leerlingen reflecteren over de betekenis, de principes en de werking van de democratische rechtsstaat en hun verantwoordelijkheid daarin.

7.2

De leerlingen reflecteren over het relationele, gelaagde en dynamische karakter van identiteit.

7.3

De leerlingen lichten toe hoe verschillende vormen van diversiteit verrijkend en uitdagend zijn voor het samenleven.

7.4

De leerlingen gaan geïnformeerd, beargumenteerd en constructief in dialoog over maatschappelijke thema’s.

Hoewel elke school in Vlaanderen in principe de vrijheid heeft om eigen leerplannen te ontwikkelen, zijn het doorgaans bijna uitsluitend de koepels die dat doen. Op basis van de eigen pedagogische visie werken de onderwijskoepels dus richtlijnen uit over het aantal uren dat aan een schoolvak besteed wordt, en over hoe de eindtermen geoperationaliseerd worden. Burgerschap is in Vlaanderen geen officieel schoolvak, wel kiezen sommige scholen ervoor om het als een schoolvak te organiseren. De onderwijskoepel OVSG[1] concretiseert de eindtermen burgerschap dus in leerplannen. Het schoolvak PAV [project algemene vakken] is een schoolvak waarin verschillende onderwerpen van de algemene vorming aangeboden worden aan leerlingen van het beroepsonderwijs, doelen rond burgerschap maken daar logischerwijze deel van uit. Het Stedelijk onderwijs Antwerpen (AGSO) vult dit verder aan met een eigen visieontwikkeling en beleid rond burgerschap. Om het curriculum burgerschap echt te doen leven in het Antwerpse stedelijk onderwijs zette de koepel beleidsmedewerkers in, die scholen ondersteunen bij het vorm geven van hun eigen schoolbeleid. We onderzoeken in dit artikel hoe beide op elkaar inhaken, en ook langs elkaar bestaan.

Het micro-perspectief: een leraar vertaalt eindtermen naar de klaspraktijk
Katrijn is een ervaren lerares Project Algemene vakken (PAV). Dit vak wordt in Vlaanderen in de meeste scholen van het beroepsonderwijs aangeboden, het omvat alle doelen en onderwerpen voor een brede algemene vorming voor leerlingen. Omdat PAV een geïntegreerd vak is waarin allerlei verschillende doelen rond maatschappelijke vorming gerealiseerd worden, is ook burgerschap een thema dat veel aandacht krijgt in haar lessen. Ze geeft het vak op het stedelijk Lyceum Olympiade, één van de scholen van stedelijk onderwijs Antwerpen. Het is een school in de Antwerpse wijk Kiel. De overgrote meerderheid van de leerlingen op de school hebben migratieroots, vele groeien op in armoede. Katrijn heeft het tot haar roeping gemaakt om in deze uitdagende werkcontext een steun en toeverlaat voor deze leerlingen, met als doel het leren van de leerling optimaal aan te sturen. Het vak PAV geeft haar veel mogelijkheden om onderwijs op maat te bieden voor deze leerlingen. Het aanleren van burgerschapscompetenties is één van de klassieke leerdoelen in het vak waar ook Katrijn een prioriteit van maakt.
Katrijn werkt met een leerplan PAV dat sinds 2017 geldig is (Pedagogische begeleidingsdienst OVSG, 2014). Katrijn gaat heel nuchter en pragmatisch te werk wanneer ze haar lessen burgerschap plant. Ze begint met het leerplan te lezen, en probeert de relatief ruime en abstracte doelen uit het leerplan te interpreteren. Ze probeert zich concreet voor te stellen waar de leerplanmakers naartoe willen. Ze wil daarbij vooral proberen te begrijpen wat de geest van het leerplan is. Van daaruit geeft ze het curriculum vorm in concrete projecten.  Ze ziet het als haar taak om jonge mensen voor te bereiden op de arbeidsmarkt, maar daarnaast ook tout court op het leven zelf. Wat betreft burgerschap en het actief deelnemen aan de samenleving zijn de doelen zeer ruim omschreven, wat maakt dat er heel wat ruimte is voor interpretatie. Die ruimte om het officiële curriculum concreet vorm te geven probeert Katrijn op het micro-niveau van haar klassen volop te grijpen en gebruiken.  Voor haar is het erg belangrijk om een duidelijk beeld te hebben van wat de verwachtingen juist zijn. Dat helpt haar om voor zichzelf, en voor haar leerlingen een heldere leerlijn op te stellen, en dus ook heldere verwachtingen te hanteren. Ze vertaalde de doelen naar concrete levenslessen die doorheen het schooljaar en de projecten rond burgerschap de rode draad vormen.
In haar lessen is er veel ruimte voor de eigen inbreng van de leerlingen. Het is immers de leerling die vanuit zijn eigenheid een plaats moet zoeken binnen, en bijdragen aan onze samenleving. Ze bedenkt daarbij motiverende leeractiviteiten voor leerlingen die vaak met een psychologische rugzak naar school komen, en in veel gevallen ook schoolmoe zijn. Daarom laat ze hen bij het werken aan lessen rond burgerschap bepalen wat hun eigen invulling is wanneer ze bepaalde criteria dienen aan te tonen. Ze stelt een ruime opdracht op waarbij bijvoorbeeld de ene groep leerlingen zich inzet voor armen in de stad, een andere groep gaat anderstalige ouders ondersteunen en nog anderen willen jongeren weerbaarder maken als het gaat over verslavingen. De leerlingen zoeken een probleem dat zij in de maatschappij ervaren en gaan van daaruit oplossingsgericht aan de slag. Bij het begin van elk project krijgen de leerlingen steeds een duidelijk beeld van de bedoeling, de criteria en de evaluatie van de opdracht. Zelf- en peerevaluatie staan tijdens het proces centraal. Via individuele coaching en/of groepscoaching wordt er bijgestuurd indien het nodige reflectieniveau en/of doelen niet behaald worden. Katrijn stelt daartoe evaluatieframes op die voor leerlingen van in het begin van elk project duidelijk maken wat er van hen verwacht wordt, en die tijdens en na de leeractiviteiten worden gebruikt om te evalueren. Vanuit het abstracte leerplandoel stelt ze dus zelf concrete en meetbare doelen op. Ook daarbij probeert ze leerlingen vaak te betrekken bij het leerproces: door ze inspraak te geven in de criteria. Door enerzijds de zelf- en anonieme peerevaluatie, het zelf bepalen van de inhoud en de mogelijkheid om mee na te denken over wanneer een opdracht kwalitatief is, houdt ze de leerlingbetrokkenheid hoog.
Katrijn is pragmatisch wanneer het gaat om het ontwikkelen van evaluatiemateriaal voor dit soort leeractiviteiten. Ze vindt het belangrijk om vooral te beginnen, en niet oeverloos te denken of overleggen over de perfecte rubric. Ze heeft uit ervaring geleerd dat het nodig is om haar instrumenten voortdurend bij te stellen op basis van ervaringen. Ze reflecteert over de mate waarin haar criteria goede indicatoren zijn, of juist moeten verder verfijnd worden. Dat doet ze bijvoorbeeld wanneer ze in de klas is, leerlingen observeert of zelf met verbeterwerk bezig is. Zo ontstaat over een periode van verschillende jaren een steeds meer betrouwbaar en valide evaluatie-instrument waarbij ruimte is om de dialoog tussen leerlingen onderling en met de leerkracht te faciliteren zodat ieder zichzelf versterkt om een actieve burger te zijn.

Het meso-perspectief: actief burgerschap in stedelijk onderwijs Antwerpen
Ann Van Dyck werkt als programmacoördinator actief burgerschap voor stedelijk onderwijs Antwerpen (AGSO). Samen met twee collega’s vormen ze een team dat scholen helpt om hun curriculum burgerschap te ontwikkelen. Om de visie van stedelijk onderwijs Antwerpen concreet gestalte te geven heeft AGSO enkele jaren geleden een eigen competentiekader ontwikkeld. Het gaat om 22 competenties met leerlijnen. Elk van die competenties is gekoppeld aan de vijf pijlers en schoolconcepten van actief burgerschap. Elk bestaat uit een kennis-, een vaardigheden- en een attitudeluik. Ann ondersteunt de scholen van AGSO om burgerschap in de praktijk te brengen op een manier die aansluit bij de specifieke context van elke school. Die context kan erg verschillend zijn: scholen van het deeltijds kunstonderwijs, basisscholen waar enkel kleuters schoollopen, of vakscholen voor voortgezet beroepsonderwijs hebben elk hun eigenheid. Vandaar dat AGSO elke school de vrijheid laat om een eigen specifieke invulling te geven aan burgerschap. De schoolconcepten in tabel 2 geven houvast aan teams om te reflecteren over welk type school zij precies zijn of willen zijn.

Tabel 2 Vijf schoolconcepten voor de ontwikkeling van het curriculum burgerschap

Actuele en maatschappelijke uitdagingen – rechtvaardige school:
– sociale rechtvaardigheid en mensenrechten
– mediawijsheid, creatief en kritisch denken
– actiegerichtheid en engagement

Samen school maken – democratische school:
– democratie en democratische waarden
– samenwerken en participeren
– respect en streven naar verbondenheid

Omgaan met conflicten – vreedzame school:
– oordeelsvorming en waardenkaders
– debatteren en dialogeren
– streven naar vreedzaamheid en veiligheid

Werken met en vanuit diversiteit – diverse school:
– diversiteit als normaliteit en meerwaarde in de samenleving
– cultuursensitief denken en handelen
– positieve identiteitsvorming en zelfredzaamheid

Internationalisering – wereldschool:
– duurzaamheid en globalisering
– systeemdenken
– geloof dat ik kan bijdragen aan een betere wereld

Het idee om leerlijnen rond burgerschap uit te werken ontstond ruim tien jaar geleden. In samenwerking met de Universiteit Antwerpen, de lerarenopleiding UCLL in Leuven en Djapo[2] werd de uitdaging aangegaan om burgerschap een centralere plaats te geven in het curriculum van de scholen van AGSO (Lauwers et al., z.d.). Vertrekpunt daarbij waren de grootstedelijke uitdagingen waarmee heel wat van deze scholen worstelden. Omdat burgerschap niet erg concreet vormgegeven wordt in de meeste leerplannen, koos AGSO er dus voor om leraren hierbij extra te ondersteunen door middel van deze leerlijnen.

Tabel 3 Leerlijn: inzicht in mensenrechten en universele basisbehoeften (Lauwers et al., z.d.)

Het is een hele uitdaging voor Ann en haar collega’s om met de beperkte tijd die ze hebben scholen volwaardige ondersteuning te bieden in dit complexe denkproces. Het team Actief Burgerschap ontwikkelde een reeks van rubrics die scholen kunnen gebruiken bij het evalueren van burgerschapscompetenties. Deze rubrics werden uitgewerkt voor de verschillende niveaus van het secundair onderwijs. Scholen kunnen ze gebruiken om burgerschapscompetenties te evalueren, scholen kiezen daarbij zelf in welke specifieke vakken de rubric wordt gebruikt, of hoe de rubric ingepast wordt in het bredere evaluatiekader van de hele school.

Een curriculum burgerschap realiseren: kansen en knelpunten
Katrijn en Ann zijn beide onderwijsprofessionals die hard werken: beide steken veel energie in het realiseren van het curriculum burgerschap. Ze doen dat beide op een verschillende manier, Ann door schoolteams te ondersteunen, Katrijn door zelf in de klas les te geven en leerlingen te begeleiden in hun actief burgerschap. Dit voorbeeld toont heel mooi aan hoe het curriculum burgerschap in Vlaanderen niet alleen bepaald wordt door het formuleren van eindtermen door de overheid, maar ook door onderwijsprofessionals op het meso- en microniveau. Het verschil in aanpak tussen deze beide niveaus valt wel op: Ann werkt op basis van een schooloverstijgend model dat ontwikkeld werd in samenwerking met externe partners. Het reflecteren over wat scholen in hun specifieke context juist willen bereiken beschouwt Ann als cruciaal. Ze gaat gepland en doordacht te werk, ze werkt in overleg met anderen. Ze hoopt door de rubrics en de schooltypes die binnen haar dienst ontwikkeld werden bij te dragen tot curriculumontwikkeling. Ze is daarbij tegelijk realistisch: met de beperkte middelen van slechts drie personen is het onmogelijk om aan alle vragen en ondersteuningsnoden van de vele scholen van AGSO te voldoen.
Die vaststelling blijkt ook uit de ervaringen van Katrijn. Zij was zich niet bewust van de ondersteuning die vanuit haar scholengroep geboden wordt bij het oriënteren op burgerschapseducatie. Katrijn gebruikt maximaal de pedagogische vrijheid die het leerplan haar gunt. Zij voelt zich vooral op zichzelf aangewezen wanneer ze het curriculum burgerschap in haar klas vormgeeft. Ze vindt het fijn om de vrijheid te krijgen om abstracte leerdoelen met eigen creativiteit en inspiratie te mogen afstemmen op de behoeften van haar leerlingen. Het geeft haar voldoening om daarbij zelf veel vrijheid en verantwoordelijkheid te mogen nemen. Toch gaat die vrijheid natuurlijk gepaard met heel wat werkdruk: net als Ann botst Katrijn dan ook soms op de grenzen van wat haalbaar en mogelijk is.
Beide raken er niet goed uit hoe het micro-niveau, leraren in hun klas, het meest profijt kan halen uit de onderwijsondersteuning die AGSO aan scholen en leraren biedt. Er lijkt weinig twijfel over te bestaan dat het een hele uitdaging is om leerplandoelen om te zetten in de concrete lespraktijk. Ann en Katrijn zijn het er ook over eens dat een zekere mate van vrijheid voor scholen om het curriculum burgerschap in de praktijk om te zetten essentieel is. Hoeveel tijd en energie is er daarnaast nodig op het meso-niveau om leraren te ondersteunen in deze opdracht? En welke inspanningen zijn daarbij prioritair? Ondanks alle inspanningen van het team Actief Burgerschap om rubrics en schooltypes te ontwikkelen blijft de kloof tussen het micro- en het meso-niveau relatief groot. Dat blijkt bijvoorbeeld doordat Katrijn haar eigen evaluatie-instrumenten ontwikkelt voor burgerschap los van de rubrics die AGSO ontwikkelde.

Literatuur
Ahovoks. (2023), Eindtermen secundair onderwijs 3e graad . Onderwijsdoelen. Via: https://onderwijsdoelen.be/

Katholiek onderwijs Vlaanderen. (2022). Visie eindtermen. In Katholiek onderwijs Vlaanderen (Ed.). Brussel.

Lauwers, J., Verlinden, A., Cornelis, K., Lefèvre, E., & Ramaekers, S. (z.d.). Competentiemodel actief burgerschap van het stedelijk onderwijs. Leerdoelen voor een doelgerichte actief-burgerschapswerking.

Pedagogische begeleidingsdienst OVSG. (2014). Leerplan Project Algemene Vakken (PAV) 3e graad. https://leerplannen.ovsg.be/#bso

Simons, M., Kelchtermans, G., Leysen, J., & Vandenbroeck, M. (2016). De actuele werking en doeltreffendheid van de eindtermen als beleidsinstrument in Vlaanderen. Onderzoek in opdracht van de Vlaamse Overheid. Departement Onderwijs en Vorming. . https://doi.org/10.13140/RG.2.1.3492.2485

Vlaamse overheid. (2018). Algemene uitgangspunten nieuwe eindtermen. https://onderwijsdoelen.be/uitgangspunten/4647

 

[1] Onderwijsvereniging van Steden en Gemeenten, AGSO is de Antwerpse afdeling van deze onderwijskoepel.

[2] Dit is een NGO gespecialiseerd in burgerschapseducatie.