Uitgelicht – februari 2022

In de rubriek Uitgelicht verschijnt een groot of klein overzicht van recente en wellicht inspirerende publicaties over vakdidactisch onderzoek door Nederlandstalige auteurs in Engelstalige open access peer-reviewed tijdschriften. Suggesties voor deze rubriek zijn van harte welkom.

Mathijs Booden vakdidacticus aardrijkskunde, Universiteit van Amsterdam


Actueel geografisch onderzoek
In de afgelopen weken zijn aan de VU twee promotieonderzoeken afgesloten met een succesvolle verdediging, van dr. Jan Karkdijk en dr. Iris Pauw. Beide onderzoeken waren gericht op aardrijkskunde maar hebben relevantie voor het bredere veld van gammavakken.

Karkdijk: Mysteries en ‘relationeel denken’
Jan Karkdijk verdedigde op woensdag 1 december zijn proefschrift met de titel Mysteries to support geographical relational thinking in secondary education. ‘Mysteries’ verwijst hier naar een werkvorm die in de schoolaardrijkskundedidactiek brede bekendheid kreeg middels het programma ‘Leren denken met aardrijkskunde’ rond de eeuwwisseling. Een mysterie bestaat primair uit een set kaartjes met daarop bepaalde gegevens over ‘iets dat ergens gebeurt’, zo mogelijk aangevuld met ondersteunend materiaal zoals kaarten en foto’s. Het uitgangspunt waarmee leerlingen aan de slag gaan is een centrale vraag, die te beantwoorden is door de kaartjes ‘goed’ te ordenen.
Het onderzoek van Karkdijk richtte zich op de manier waarop leerlingen met deze opdrachten aan de slag gaan, en wat zij doen als ze de kaartjes moeten ordenen – wat voor verbanden leggen leerlingen, wat zien ze over het hoofd, enzovoort. In het proefschrift stonden twee mysteries centraal waarin leerlingen in respectievelijk Jakarta en Rio de Janeiro zich buigen over een ‘lokaal’ vraagstuk, zoals: ‘waarom weigert Fabio zijn huis in de favela te verlaten?’ De beoogde leerdoelen zijn daarbij van betrekkelijke hoge orde: leerlingen oefenen in het leggen van (dwars-) verbanden in een complexe gegevensset, het wisselen van schaalniveaus (bijv. van het persoonlijke naar de buurt naar het grootstedelijke) en het vormen van een waardeoordeel. Karkdijk onderzocht daarbij primair wat het uitvoeren van mysteries voor invloed heeft op het vermogen van leerlingen om iets in een ‘relationeel schema’ (een vorm van concept map) te vatten, en hoe leerlingen precies werken als ze met en mysterie aan de slag zijn.

De voornaamste conclusies die Karkdijk trekt zijn:

  • De werkvorm kan een positief effect hebben op het relationeel denken.
  • De kwaliteit van dat denken is vaak ‘laag’ maar met grote verschillen tussen groepjes.
  • De kwaliteit wordt verhoogd als er sprake is van een substantiële ‘on-task’ groepsdiscussie over de dwarsverbanden in het mysterie vóórdat een groepje een antwoord (in de vorm van een concept map) construeert.

Belangrijke adviezen aan docenten op basis van dit onderzoek zijn:

  • Pas de werkvorm herhaaldelijk toe alvorens resultaat te verwachten;
  • Begin met concretere situaties en concepten;
  • Besteedt expliciete aandacht aan de dwarsverbanden binnen het mysterie, en niet alleen aan de meest voor de hand liggende causale verbanden.

De uitkomsten van het onderzoek zijn relevant voor alle vakken waarin vraagstukken een rol spelen waarin tal van factoren een rol spelen en waarop niet of nauwelijks één eenduidig antwoord te geven is – wat dus evengoed zal gelden voor historische en sociologische vraagstukken!

Pauw: de toekomst als ontbrekend perspectief?
Iris Pauw verdedigde haar proefschrift een week later, op donderdag 9 december. Het proefschrift met de titel Envisioning Futures in School Geography is het verslag van haar onderzoek naar de manier waarop in de schoolaardrijkskunde door leerlingen op een ‘betere’ manier naar de toekomst gekeken kan worden. Het gaat daarbij niet om de manier waarop leerlingen naar hun eigen toekomst of die van ‘de wereld’ kijken, maar naar onderwijs gericht op het ontwikkelen van langetermijndenken en het denken in meerdere scenario’s, waar de natuurlijke neiging is om de korte termijn in één scenario te denken.

Het proefschrift omvat een aantal deelstudies, waarin Pauw allereerst verkent hoe het zit met ‘de toekomst’ als ontbrekend perspectief in het aardrijkskundeonderwijs – vooral gebaseerd op een analyse van onderwijsmaterialen, toetsen en visiestukken alsook interviews – en een literatuurstudie naar wat er al bekend is over de bestaande benaderingen van ‘de toekomst’ in het onderwijs. Aansluitend beschrijft ze het ontwerp en testen van twee prototype-interventies, die zijn uitgevoerd onder VWO-leerlingen.

Pauw pleit in haar conclusies onder meer vóór aandacht voor het toekomstonderwijs op lerarenopleidingen, en tégen de gedachte dat vaardigheden (zoals ‘21e eeuws’) los te koppelen zijn van vakinhoud.

Op basis van de interventies (met als ontwerpregels het scenariodenken, ‘student voice’ en scaffolding) zijn de belangrijkste conclusies:

  • Het is mogelijk om een balans te vinden tussen de input van kennis en de verbeelding, en tussen zelfsturing en sturing door de docent;
  • Studenten kunnen wel eenvoudige scenario’s opstellen, maar komen in het algemeen op simpele oplossingen en maken weinig gebruik van eerder geleerde vakinhoudelijke kennis;
  • Een stapsgewijs, docentgestuurd proces is nodig om te komen tot meerdere plausibele scenario’s en een eigen ‘stem’ van leerlingen, en het scaffolden dat daarvoor nodig is is haalbaar maar veeleisend – in elk geval voor docenten voor wie het een nieuwe benadering is.

Pauw doet op grond van het onderzoek de volgende aanbevelingen:

  • Lerarenopleidingen moeten docenten voorbereiden op toekomstgericht onderwijs;
  • Laat leerlingen oefenen met relationeel denken over de wereld(en) van de toekomst, en voer een open klassendialoog over toekomst(en).
  • Maak ruimte voor affectieve, persoonlijke ideeën en gevoelens bij het verkennen van mogelijke toekomsten.

Het onderzoek richtte zich op schoolaardrijkskunde maar de uitkomsten zijn bruikbaar in andere disciplines die zich bezighouden met de richting van de samenleving en keuzes met betrekking tot de toekomst, zoals maatschappijleer maar ook bijvoorbeeld Natuur, Leven en Technologie (NLT).